Wie een middeleeuws kasteel bezoekt, ziet vaak één toren die boven alles uitsteekt. Dat is meestal de donjon, de hoofdtoren van het kasteel. Het was niet zomaar een uitkijkpost, maar het sterkste en vaak ook het belangrijkste deel van de hele burcht.
De donjon had twee functies tegelijk. De heer van het kasteel kon er wonen, en bij een aanval was het de laatste plek om zich terug te trekken. Viel de rest van het kasteel, dan kon je in de donjon nog standhouden. Daarom zijn de muren vaak erg dik en zitten de ramen laag in de toren klein of ontbreken ze helemaal.
Een opvallend kenmerk is de ingang. Bij veel donjons zat die niet op de begane grond maar een verdieping hoger. Je kwam binnen via een trap of ladder die weggehaald kon worden. Voor aanvallers was dat een flinke drempel.
Ook in Nederland staan kastelen met een woontoren of hoofdtoren. Sommige zijn goed bewaard, andere zijn later verbouwd of alleen als ruïne over. Bij veel kastelen die je nu bezoekt, is de oorspronkelijke toren in de loop der eeuwen opgenomen in een groter gebouw. Soms zie je dat nog aan het verschil in baksteen of muurdikte.
Een paar dingen maken een bezoek interessanter:
Met kinderen werkt het goed om ze te laten bedenken hoe zij het kasteel zouden verdedigen. Dan wordt zo'n toren ineens een stuk spannender.